Het landelijke vuurwerkverbod gaat op 1 augustus in. Dat betekent dat consumenten bij de komende jaarwisseling geen vuurwerk meer mogen afsteken. Met de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling, waarin het vuurwerkverbod is opgenomen, wordt een belangrijke stap gezet richting een veiligere jaarwisseling. Met als doel het terugdringen van vuurwerkgerelateerde incidenten, schade en letsel.
Voordat de wet in werking kon treden, moesten drie voorwaarden worden uitgewerkt: een effectief handhavingsplan, een algemene maatregel van bestuur (AMvB) waarin de ontheffingsmogelijkheid voor burgemeesters is geregeld en een passende nadeelcompensatieregeling voor de vuurwerkbranche.
Wat mag nog wel?
Verenigingen met een duidelijke binding met een gemeente kunnen een ontheffing aanvragen. Bij groen licht mogen zij maximaal 200 kilo siervuurwerk (categorie F2) afsteken op een terrein dat goed bereikbaar is voor de hulpdiensten. Dat vuurwerk mag pas op 31 december worden aangeleverd en publiek moet tijdens de show afstand houden. Particuliere consumenten mogen alleen nog heel licht vuurwerk (categorie F1) afsteken: sterretjes en knalerwten. Knalvuurwerk als rotjes en vuurpijlen (categorie F3) is al sinds 2020 verboden.
Communicatie
In de zomer wordt gestart met een landelijke communicatie campagne en worden hulpmiddelen voor onder meer gemeenten en ontheffinghouders beschikbaar gesteld, waaronder een handreiking over de ontheffingsmogelijkheid.
De aanpak richt zich op twee hoofddoelgroepen: het brede publiek (met extra aandacht voor jongeren en ouders) en partners, zoals gemeenten en politie.
Inleverdagen
Om particulieren de mogelijkheid te bieden vuurwerk wat straks verboden is, veilig, legaal en zonder gevolgen in te leveren, worden in september/oktober 2026 landelijke vuurwerkinleverdagen georganiseerd. Deze inleverdagen dragen bij aan het voorkomen dat verboden vuurwerk wordt bewaard, afgestoken of doorverkocht en bieden een extra moment om burgers te informeren over het vuurwerkverbod. Via tijdelijke inleverlocaties in circa 30 gemeenten wordt gezorgd voor een landelijke dekking (binnen 45 minuten rijafstand) en worden gemeenten zoveel mogelijk ontlast.